‘Misschien voldoe ik hiermee aan alle clichés die rechtenstudenten hebben over de politie, maar de praktijk is gewoon weerbarstig.’

Als rechtenstudent ben je constant bezig met het uitdiepen van theorie en weinig met de praktijk. Je zou bijna vergeten dat er nog een realiteit bestaat buiten de inventieve casusvragen op je tentamen. Logisch, want dichterbij de praktijk kom je toch niet in je eerste paar jaar. Uiteindelijk vind je ergens een stage en dan komt de praktijkervaring vanzelf wel. De kans is klein dat je iets met strafrecht gaat doen; merendeel van de studenten heeft een welgemeende passie voor het civiele recht. Wat ons bij blijft van die paar straf(proces)vakken zijn de mooie arresten over het spanningsveld van het legaliteitsbeginsel en analogie, de problematiek aangaande een rechtmatige aanhouding of cautie en het gastcollege van Lucia de Berk. Gevaar is dat we overblijven met een te theorie-gebonden perspectief.

Bastijn Vermeulen is al elf jaar werkzaam bij de politie in Utrecht en is naast rechercheur ook werkzaam als officier van dienst, hulpofficier van justitie en sectiecommandant bij de mobiele eenheid. In dit interview belicht hij de praktische kant van waarheidsvinding bij de politie. Hij vertelt over de wisselwerking van de menselijke kant van zijn werk en het vasthouden aan objectieve waarheidsvinding; over zwijgrecht als sabotage van zijn onderzoek en waarom hij discrimineert.

Kun je een klein beeld geven van je werk? Wat maak je gemiddeld mee en wat is bijvoorbeeld je raarste ervaring?

Ik heb afgelopen woensdag nog iets vreemds meegemaakt. Ik werd tijdens een dagdienst gebeld door bezorgde buren over een stinkluchtje. Hun buurman reageerde ook al een poosje niet meer op de deurbel. Ik ging erheen, brak de deur open en toen vond ik het lijk. Maar het lijk was pikzwart, net houtskool. Toen bleek het er al twee weken te liggen. Dat was best een vreemd gezicht. Als mij wordt gevraagd naar mijn vreemdste ervaring vertel ik meestal over een zaak van de afgelopen week: de gevallen daarvoor blijven me niet helder bij. Misschien is het wel een soort zelfbescherming, dat ik incidenten vergeet. Als alles me even zeer zou bijblijven en ontroeren hield ik dit werk waarschijnlijk niet vol. Aan de andere kant maakt het ook niet zo veel uit of ik antwoord met een geval van vorige week of vijf jaar geleden. Vooral tijdens de nachtdiensten is veel wat ik meemaak gekkenhuis. Ik heb vaak het gevoel dat ik in een slechte B-film ben beland.

“Ik heb vaak het gevoel dat ik in een slechte B-film ben beland.”

Alle incidenten blijven je evenmin bij?

Er zijn wel incidenten die me meer raken dan anderen. Het meest aangrijpende maakte ik mee op mijn negentiende. Een mevrouw met de afdruk van een uitgedrukte sigaret op haar arm, deed aangifte van huiselijk geweld tegen haar man bij mij. Ik was nog aspirant; een ‘werkstudent’ tijdens een praktijkstage. Ik was nog maar net begonnen met de politieacademie. Tijdens het verhoor leerde ik haar verhaal kennen. Ze was al ruim twintig jaar samen met haar man en ze hadden samen twee dochters thuis. Ze werd al jarenlang mishandeld, maar nu was ze er klaar mee. Ze wilde kappen met de relatie en aangifte doen. Het verhoor duurde meer dan twee uur. Dat is gebruikelijk bij huiselijk geweldzaken. Tijdens het verhoor wil je alle verschijningsvormen van psychologisch en fysiek geweld achterhalen: van het begin van de relatie tot aan het moment van de aangifte. Toen de coördinator zei dat er voldoende feiten en omstandigheden waren om de man op heterdaad aan te houden, ben ik naar zijn huis gegaan. Daar troffen we hem en zijn twee dochters aan. De man was bereid mee te werken: hij liet zich boeien en afvoeren. Zodra we mededeelde waarvoor hij werd aangehouden begonnen zijn dochters heel hard te huilen. Eén van de meisjes riep: ‘ík hoop dat ze je nooit meer vrijlaten, papa’. De volgende dag werden de dochters verhoord en toen bleek dat ook zij mishandeld werden. De vader kreeg een huisverbod conform de Wet Tijdelijk Huisverbod. Dat houdt in dat hij tien dagen niet thuis mocht komen en geen contact mocht zoeken met zijn huisgenoten. Ondertussen wordt op beide partijen intensief hulpverlening ingezet, om de huiselijk geweldcyclus te doorbreken.

Is dat gelukt?

Weet ik niet. Ik stond vaak op het punt om die vrouw waarmee ik twee uur had gepraat, op te bellen. Misschien was het geweld niet gestopt en had zo een telefoontje haar wel kunnen helpen Toch heb ik de keuze gemaakt om zoiets niet te doen en daar heb ik geen spijt van. Ik zit nu elf jaar bij de politie en heb geleerd dat je voor je eigen geestelijke gezondheid moet loslaten. Die uitbarsting van dat meisje is me altijd bijgebleven. Als ik het later had meegemaakt, met meer ervaring achter de rug, had het me niet minder aangegrepen. Je kunt je niet wapenen tegen huiselijk geweld. Die afhankelijkheidsrelatie van kinderen en ouders maakt het zo gruwelijk. Daar kan geen lijk of schietpartij tegenop.

“Het zou goed zijn als jullie inzicht zouden krijgen in de praktische uitwerking van het beroep op zwijgrecht.”

Zwijgrecht en (on)schuldpresumptie

Denk je dat de gemiddelde rechtenstudent te theoretisch is ingesteld wat betreft het beroep op zwijgrecht? En daardoor misschien te ‘idealistisch’ hier naar kijkt?

Het zou goed zijn als jullie inzicht zouden krijgen in de praktische uitwerking van het beroep op zwijgrecht en hoe het diegene in onze ogen verdachter maakt. Mijn ervaring is dat iemand die zich beroept op zijn zwijgrecht óf wordt veroordeeld óf wordt vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. De theorie ondersteun ik en vind ik mooi: je moet je kunnen beroepen op je zwijgrecht zodat je niet wordt vermorzeld door het staatsapparaat. Maar in de praktijk is het contraproductief: als je ons niet helpt kunnen we jouw onschuld niet aantonen. Als je je op je zwijgrecht beroept creëer je een zwart gat in ons onderzoek. Dat is niet alleen frustrerend, maar ronduit onbeleefd.

Waarom onbeleefd?

Als ik je vraag waar het station is dan vertel je mij waar het is of dat je niet weet waar het is, maar je beroept je niet op je zwijgrecht. Dat zou behoorlijk onbeschoft zijn. Hoe zeer wij ons ook bewust zijn van de waarde van het zwijgrecht, we blijven mensen en als iemand geen antwoord geeft op je vraag is dat onfatsoenlijk. We zijn uren bezig met het voorbereiden van verhoren om te kijken welke puzzelstukjes ontbreken. We hebben al voldoende informatie om iemand  aan te houden en als verdachte aan te merken. Wanneer diegene zich dan op zijn zwijgrecht beroept onthoudt hij cruciale informatie van ons. Hij is in bezit van informatie die ons dichterbij de waarheid kan brengen; of het hem nou verdachter maakt of juist niet. Beide willen we graag weten. Het doel van een verhoor is altijd waarheidsvinding. Het onderzoek wordt vertraagd als iemand zich op zijn zwijgrecht beroept, met alle vervelende gevolgen van dien.

Kun je een voorbeeld geven van zo een naar gevolg?

Als iemand iets voor ons verbergt moeten we nog meer onderzoek naar diegene doen; nog meer mankracht en uren kwijt. Wij zitten uren met een slachtoffer in verhoor. Dan kan het niet anders dan dat je een band met diegene opbouwt. Je bent immers bij de politie gegaan om mensen te helpen. Vervolgens ben je ontzettend gemotiveerd om het onderzoek op te lossen. Als een verdachte zich dan op zijn zwijgrecht beroept, word je gewoon tegengewerkt in het helpen van dat slachtoffer. Het onderzoek wordt expres gesaboteerd. Dat leidt tot meer slachtoffers.

“Als een verdachte weigert te praten, saboteert hij het onderzoek.”

Hoe leidt het tot meer slachtoffers?

We hebben beperkte capaciteit. Hoe langer een onderzoek duurt, hoe kleiner de kans dat het wordt opgelost. Na een poosje zijn de sporen weg en zijn de getuigen vergeten wat ze gezien hebben. Als de zaak is opgelost, kan ik verder met de volgende. Hoe sneller het onderzoek is afgerond, hoe meer zaken ik kan behandelen; des te meer slachtoffers kan ik helpen. Verhindering van het ene onderzoek heeft dus zijn weerslag op het andere.

Tijdens het verhoor staat nog niet vast of de verdachte de dader is. Als hij onschuldig is, is hij het slachtoffer van een valse beschuldiging. Moet hij niet op eenzelfde soort manier als het slachtoffer benaderd worden?

In mijn beperkte ervaring bij de recherche, is de verdachte die zich beriep op zijn zwijgrecht schuldig bevonden of vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs.

Maar nu merk je de verdachte als dader aan op basis van je ervaring. Geldt er niet zoiets als een onschuldpresumptie?

Tijdens het hele onderzoek is het eigenlijk irrelevant of wij het denken of iemand het gedaan heeft of niet. Ik hoop na elk verhoor iets dichter bij de waarheid te komen en de verdachte iets verdachter te maken. Of juist onverdachter; dat is mij om het even. Bij de districtsrecherche ben ik bezig met overvallen en mishandeling. Het is ontzettend lastig om jezelf te vertellen dat een verdachte het niet heeft gedaan, terwijl hij een waslijst aan antecedenten heeft en precies voldoet aan het signalement. Zelden hebben we mensen zonder antecedenten voor ons. Logisch, want een klein percentage Nederlanders is verantwoordelijk voor de misdaad in Nederland. Natuurlijk mag dat niet meetellen in je beoordeling, maar het telt wél mee. Het maakt wél verschil of een verdachte van een overval al vijf overvallen in zijn justitiële documentatie heeft staan of helemaal niets. Dus als ik dan iemand voor me heb zitten die voldoet aan het signalement en hij was in de buurt en hij beroept zich op zijn zwijgrecht, dan is het bijna onmenselijk om hem met dezelfde respect als het slachtoffer te behandelen. Het slachtoffer kiest er niet voor om overvallen te worden. Misschien voldoe ik hiermee aan alle clichés die rechtenstudenten hebben van politiemensen, maar de praktijk is gewoon weerbarstig.

Verdachten beroepen zich meestal op hun zwijgrecht op aanraden van hun advocaat, niet omdat ze het onderzoek willen dwarsbomen. Valt de advocaat van de verdachte iets te verwijten?

De advocaat valt zeker iets te verwijten, maar dat heeft niet met verhindering van het onderzoek te maken. Een raadsman moet zich afvragen wat in het belang van zijn cliënt is. Is het in belang van zijn cliënt dat hij op korte termijn vrijgesproken wordt op grond van gebrek aan bewijs of is het in het belang van de cliënt dat hij wordt gestraft en zo schoon schip maakt en de hulpverlening ingaat? Zeker bij jongeren en first-offenders, is dat tweede misschien een veel belangrijker lange-termijn belang. Mijn ervaring is dat advocaten vaak geen oog hebben voor het lange-termijn belang van hun cliënt.

Kun je een voorbeeld geven van zo een situatie waar de raadsman geen rekening houdt met het lange-termijn belang van zijn cliënt?

Laatst had ik een zaak met een minderjarige jongen. Hij werd verdacht van een overval en er waren twee vingerafdrukken van hem op de plaats delict gevonden. Op aanraden van zijn advocaat beriep hij zich op zijn zwijgrecht. Dit blokkeerde een flinke tijd het onderzoek. We mogen de verdachte dan niet naar huis sturen. Uiteindelijk heeft die jongen drieënhalve maand in voorlopige hechtenis vastgezeten. Zijn schooljaar haalt hij waarschijnlijk niet meer en zijn baantje was hij waarschijnlijk al na twee weken kwijt. Als hij openheid van zaken had gegeven, was hij waarschijnlijk eerder in aanmerking gekomen voor opschorting van de hechtenis onder voorwaarden, zoals een enkelband. De rechter spreekt altijd in het belang van het kind. Als de jongen een celstraf opgelegd had gekregen, had de rechter rekening kunnen houden met zijn schoolverplichtingen. Bovendien betekent een celstraf toegespitste hulp, zeker bij jongeren. Nu heeft hij maanden lang gemist aan school, zonder reflectie of hulpverlening. Was dat in het belang van dat kind?

“Tijdens het onderzoek is het eigenlijk irrelevant of wij ervan uitgaan dat de verdachte onschuldig is of niet.”

Etnisch profileren

Wat vind je ervan dat jij en je collega’s worden beschuldigd van etnisch profileren?

Ik ga bij het begin beginnen. Politiemensen worden opgeleid om datgene wat afwijkt in het publieke domein te registreren. Een voordeur die openstaat om drie uur ’s nachts vind ik bijvoorbeeld afwijkend, dus die zou ik onderzoeken op inbraak. De aard van ons werk is onderzoeken wat afwijkt. En dan kom je gelijk bij het probleem: ‘afwijking’ is een subjectief begrip en hangt af van het perspectief.

“Politiemensen worden opgeleid om datgene wat afwijkt in het publieke domein te registreren.”

Toen ik jong was, was mijn manier van hangen: in een park, met zo’n dertig man en wat kratten bier. Dat was voor mij ‘chillen’. Wat ik niet snapte toen ik aan de slag ging in Utrecht, was het eindeloze rondjes rijden ‘s nachts door jongeren. Hangen in auto’s op parkeerplaatsen of verlaten industrieterreinen… Ik linkte dat aan het grote aantal (auto-)inbraken of aan andere verdachte situaties. Voor mij week dat af van wat normaal is. Ik ging dat onderzoeken. Het duurde even voordat ik besefte dat dit hier een manier van rondhangen is; anders dan mijn manier van rondhangen met een kratje bier in het park. Dit is de kern van profileren: vanuit één cultureel perspectief  wordt afwijkend gedrag vertaald naar verdacht gedrag.

Wat elke politieagent zich moet realiseren, is dat een afwijkend uiterlijk, niet alleen huidskleur maar ook de verschijningsvorm van chillen in een auto, niet hetzelfde is als verdacht gedrag. Het extreem negatieve gevolg van die denkfout kan zijn dat jongens die aan het chillen en hangen zijn, veelvuldig gecontroleerd worden en daardoor een wantrouwen tegen de politie opbouwen. Dan hebben wij als politie precies het tegenovergestelde effect bereikt van wat wij willen bereiken. Ik hoop dat alle politieagenten bewust zijn van hun eigen culturele perspectief.

“Wat elke politieagent zich moet realiseren, is dat een afwijkend uiterlijk niet hetzelfde is als verdacht gedrag.”

Als elke agent bewust is van zijn culturele perspectief zou de politie niet beschuldigd worden van etnisch profileren?

Onjuist. Etniciteit en nationaliteit spelen wel degelijk een rol. Google maar eens op Oost-Europeanen die verbonden zijn aan rondtrekkende bendes die inbraken plegen of aan winkeldiefstal doen. Of Ierse klusjesmannen die mensen oplichten. Er is etnisch profileren op basis van nationaliteit waarbij nationaliteiten aan bepaalde delicten worden gekoppeld. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat elke Ier een oplichter is en elke Oost-Europeaan een dief. Momenteel worden deze nationaliteiten aan deze delicten gekoppeld in de samenleving, dus ook door de politie. De politie ís namelijk de samenleving.

Maar hoe kun je op een juiste manier inspelen op nationaliteit gerelateerde delicten?

Het grote risico is dat als de ‘Ierse klusjesmannen’ maar vaak genoeg in de media of op tv in slecht daglicht verschijnen, je geneigd bent elk Iers kenteken te controleren of elke Pool die onderweg is naar zijn werk staande te houden. Dan creëer je net als met die rondrijdende hangjongeren wantrouwen en afkeer. De media benadrukken en vergroten uiterlijke verschijningsvormen. Als agent moet je je verzetten tegen de neiging om die uiterlijke verschijningsvorm gelijk te stellen aan een factor op basis waarvan je mag controleren. Die factor heeft nooit te maken met uiterlijk, maar met gedrag. Aan de hand van verschillende uiterlijke factoren begin je dus met het maken van een afweging van het gedrag.

Hoe maak je die afweging?

Bijvoorbeeld een auto die snel rijdt over een verlaten industrieterrein om vier uur ’s nachts: ben je dan goed bezig met je werk als je ze controleert om te kijken of ze niet inbreken, of zijn ze onderweg naar de bakkerij waar ze om vijf uur ’s ochtends beginnen en heb je ze heel erg boos gemaakt, waarvan eentje het op YouTube zet? Het is gewoon ongelofelijk moeilijk werk. Je moet eigenlijk altijd die afweging maken. Mijn uitgangspunt is: de burger die ik vandaag controleer, kan morgen mijn cruciale getuige van een overval zijn. Het is dan belangrijk dat die burger nog vertrouwen in de politie heeft en naar mij toekomt. En dat hij niet denkt dat de politie een stelletje oneerlijke malloten zijn. Ik probeer altijd uit te leggen wat ik doe en waarom ik mensen langs de kant zet. Ik zou nooit alleen op basis van een uiterlijke verschijningsvorm (dus niet alleen huidskleur) een auto aan de kant zetten, er moet altijd gedrag bijkomen. Bijvoorbeeld die auto op het industrieterrein om vier uur ’s nachts: iemand die naar zijn werk rijdt, rijdt door. Als iemand langzaam rijdt, alsof hij aan het scannen is, dan laat ik hem stoppen; dat zou immers iemand kunnen zijn die op boevenpad is. Als hij vervolgens kan aantonen dat hij langzaam rijdt omdat hij de weg aan het zoeken is, dan zijn we even goede vrienden en dan ga ik weer verder. En ik kan hem en mezelf uitleggen waarom ik hem aan de kant zet.

Hoe zit het dan met mannen met een donkere huidskleur en een dure auto die steeds worden staande gehouden en hun auto moeten laten doorzoeken? Zij rijden meestal niet te hard.

Misschien heb je wel eens van de patseraanpak gehoord: de buurt ergert zich aan jonge jongens die geen inkomsten hebben maar in dure auto’s rijden. Dat kan erop duiden dat ze die auto met misdaad hebben bekostigd. Dat is vervelend want dan lijkt het alsof misdaad loont. Men verwacht dus van ons dat wij daar tegenop treden. Maar op het moment dat wij jongens met dure auto’s gaan staande houden, tref je dus ook de jongeren die er wel keihard voor gewerkt hebben. Die jongen werkt hard zodat hij een mooie auto kan kopen en zal het als straf ervaren dat hij alsnog wordt gecontroleerd door de politie. Hij doet alles goed en wordt toch steeds staande gehouden door de politie. Dus ook die patseraanpak heeft potentieel ondermijnende gevolgen voor het vertrouwen in de politie. Hier geldt wederom dat factoren als gedrag een rol moeten spelen: als agent kun je altijd het kenteken laten natrekken. Als de tenaamgestelde geen antecedenten heeft, laat je die jongen gewoon doorrijden of zoek je op het bureau nog wat meer info bij.

Controleren jullie geen vrouwen in dure auto’s?

Vrouwen in dure auto’s worden een stuk minder vaak staande gehouden, omdat het gros van de delicten wordt gepleegd door jonge mannen. Dus naast nationaliteit kan geslacht dus ook een rol spelen. De politie doet aan gender-profiling. Mijn boodschap is: etnisch profileren is maar één van de factoren waarop we discrimineren. Ik discrimineer. Ik maak onderscheid tussen mensen die 50 rijden en mensen die 100 rijden in de bebouwde kom. Een uiterlijk verschijnsel als huidskleur mag echter nooit de reden zijn om iemand staande te houden: het moet altijd gepaard gaan met gedrag.

Kennedy van der LaanAllen & OveryPels RijckenTaylor Wessing
Van DoorneBaker McKenzieDLA PiperHVG Law LLP
Inloggenclose