COVID-19 strijdt met onze vrijheid

Young Talent GroupAllen & OveryDirkzwagerNautaDutilh
Geschreven door: Sophie Grobben
Gepubliceerd op:

COVID-19 strijdt met onze vrijheid

Op 27 februari 2020 begon de verspreiding van COVID-19 in Nederland. Een patiënt uit Noord-Brabant was in de regio Lombardije geweest in Italië en raakte besmet met het virus. In Nederland werd hij in isolatie gehouden en vanaf dat moment ging de verspreiding in ons land in een rap tempo verder. Steeds meer mensen testten positief voor het virus en de snelle toename van besmettingen zorgde ervoor dat op 6 maart het advies aan alle Brabanders werd gegeven dat zij, bij het hebben van klachten, thuis moesten blijven. Drie dagen later werd dit omgezet naar de vaststelling van algemene hygiëne maatregelen die de verspreiding van het coronavirus tegen moesten houden. Het virus stopte niet met verspreiden en daarom gingen de regels ook voor de rest van Nederland gelden.  

De maatregelen leken tot dan toe nog onschuldig. Het advies was voornamelijk dat mensen moesten zorgen voor een goede persoonlijke hygiëne en afstand moesten houden van elkaar. Niet heel ingrijpend dus. De maatregelen gingen naar verloop van tijd echter de vrijheden van de burger steeds meer inperken. Op 15 maart werden de scholen, kinderdagverblijven, horecagelegenheden en sportclubs gesloten tot 6 april. Hier bleef het niet bij, twee weken later kondigden minister-president Rutte en minister De Jonge aan dat deze ingrijpende maatregelen nog veel langer zouden duren, in ieder geval tot 28 april.

Dat de maatregelen ingrijpend zijn, kunnen we allemaal wel beamen. We kunnen immers niet meer samenkomen met groepen mensen, naar school of werk gaan of op bezoek bij onze opa’s en oma’s in het verpleeghuis. Het meest ingrijpende is nog wel dat de overheid patiënten in quarantaine kan plaatsen, waardoor zij een groot deel van hun vrijheden kwijt zijn. Het lijkt op het eerste gezicht dus ook dat enkele artikelen in onze Grondwet, zoals het recht op de vrijheid van vereniging[1] en het recht dat tegen vrijheidsontneming strijdt,[2] worden overschreden. Hoe komt het eigenlijk dat de overheid deze ingrijpende maatregelen die onze vrijheden sterk inperken, mag nemen? 

In ons recht hebben we twee soorten grondrechten, de klassieke en de sociale grondrechten. De klassieke grondrechten, zoals het recht op vrijheid van godsdienst, vereisen geen overheidsbemoeienis. De sociale grondrechten eisen dit wel. Zij willen een actieve overheid die ervoor zorgt dat de maatschappij zo goed mogelijk functioneert. Een belangrijk sociaal grondrecht is dan ook neergelegd in artikel 22 van de Grondwet. Hierin staat dat de overheid maatregelen moet nemen om de gezondheid van het volk te bevorderen. Dit kunnen we koppelen aan de maatregelen die genomen worden tegen de verspreiding van het coronavirus. De overheid moet bij het nemen van deze maatregelen kijken naar de mensenrechten die zij eventueel overschrijdt, zoals bijvoorbeeld het recht op vereniging, en deze opwegen tegen de belangen van het volk. Het coronavirus zorgt voor ernstige gezondheidsrisico’s voor de bevolking en daarom kiest de overheid de gezondheid van het volk boven het hebben van enkele vrijheden. Dit is natuurlijk wel voor een beperkte tijd. 

De Grondwet is niet de enige wet die een verplichting voor de overheid meebrengt om zich met onze gezondheid te bemoeien. Er zijn ook internationale wetten die ons als land verplichten om het volk gezond te houden. Zo is sinds 2007 de nieuwe Internationale gezondheidsregeling van kracht, de IHR. [3] Nederland en alle lidstaten van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) hebben zich aangesloten bij deze regeling.

De IHR is gemaakt om ziekten te voorkomen, of als het al te laat is, te voorkomen dat ziekten zich internationaal gaan verspreiden. Het was nodig om een nieuwe regeling te maken omdat de oude regeling bestemd was voor een limitatieve lijst van ziektes. De enige ziektes waar de regeling namelijk voor bestond waren cholera, de pest en gele koorts. COVID-19 is niet een van de ziektes die op de lijst stond, waardoor er met de vroegere regeling geen concrete internationale maatregelen genomen zouden kunnen worden. Met de nieuwe IHR kan dit gelukkig wel. 

De IRH zorgde in Nederland ook voor een nieuwe wet, de Wet publieke gezondheid (Wpg). Deze wet regelt de organisatie van de openbare gezondheidszorg, bestrijding van infectieziekten en isolatie van personen die internationale gezondheidsgevaren kunnen opleveren. In de wet staat dat over het algemeen de Nederlandse gemeente de leiding heeft over een stabiele en goed werkende gezondheidszorg. Echter, als het gaat om een ziekte die geplaatst wordt in de A-categorie, kan de minister van Volksgezondheid de bevoegdheden van de gemeente overnemen. COVID-19 valt in deze categorie.[4] Een ziekte die in de A-categorie valt moet te allen tijde aan het WHO gemeld worden, omdat er bij dit ziektebeeld een vermoeden van besmettelijkheid en ernstig gevaar voor de volksgezondheid kan bestaan. Ziekten in deze categorie kunnen dus sterk vragen om wettelijke maatregelen. De regering en de minister zullen dan ook de burgemeesters de opdracht geven om noodverordeningen uit de vaardigen. Denk bijvoorbeeld aan de verordeningen die nu landelijk zijn uitgegeven: het verbod op samenkomen, het sluiten van alle horecagelegenheden en vooral ook het in quarantaine houden van mensen die besmet zijn met het virus. 

Een laatste voorbeeld waarbij de overheid ingrijpende maatregelen mag treffen is in het geval dat de noodtoestand over haar land wordt uitgeroepen. Dit houdt in dat het land in een situatie is terechtgekomen waarbij bijvoorbeeld een besmettelijke ziekte is uitgebroken die het leven van de burgers ernstig bedreigt. De noodtoestand zorgt ervoor dat een staat grote maatregelen mag nemen, zoals het opschorten van de vrijheden van haar burgers. De maatregelen worden genomen om het recht op gezondheid en het recht op leven te beschermen. Een voorbeeld van een land in noodtoestand is Letland. Letland heeft de noodtoestand uitgeroepen door het coronavirus. Deze schort dan ook enkele mensenrechten uit het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) op, om de gezondheid van haar burgers veilig te stellen. In artikel 15 van het EVRM wordt de wettelijke basis voor het gedrag van Letland gelegd. Het artikel stelt namelijk dat een staat mag afwijken van het verdrag, onder de voorwaarde dat zij de secretaris-generaal van de Raad van Europa op de hoogte houdt. Het schenden van de regels moet natuurlijk ook voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, zodat de overheden er geen potje van kunnen maken. Omdat Letland dit ook nauwkeurig doet, schendt zij dit artikel niet. Er mag dus in tijden van een noodtoestand van een verdrag worden afgeweken. De maatregelen moeten dan wel opwegen tegen de afwijking.

Uit bovenstaande blijkt dat de overheid de bevoegdheid heeft om ingrijpende maatregelen te nemen. Dit komt omdat deze inbreuk op onze rechten gerechtvaardigd kan zijn. In het geval van het coronavirus gaat het namelijk om de volksgezondheid, een over het algemeen geaccepteerde rechtvaardigingsgrond. Deze maatregelen moeten wel wettelijk geregeld zijn. Kijk maar naar artikel 22 van de Grondwet, de Wet publieke gezondheid en de IHR. De maatregelen moeten ook opwegen tegen de inbreuk van de vrijheden die de overheid ons oplegt. We zullen dus nog even deze ingrijpende maatregelen moeten slikken. Hopelijk is de coronacrisis op deze manier snel over en krijgen we al onze vrijheden weer terug.

 

[1] Artikel 8 Gw.

[2] Artikel 15 Gw.

[3] RIVM, ‘International Health Regulations (IHR)’, rivm.nl 26 maart 2020.

[4] RIVM, ‘Welke infectieziekten zijn meldingsplichtig?’, rivm.nl 26 maart 2020.

HouthoffDLA PiperVan DoorneHVG Law LLPBaker McKenzie
Inloggenclose