Advertentie
Advertentie
Advertentie
Advertentie

Recensie: Hendrik Gommer: Op de Academie

'Een uniek kijkje in de keuken van het bedrijf ‘de universiteit’

 

“Uit de notulen van faculteitsbestuur: ‘Psychologie en Samenleving staat er slecht voor. Dit wordt grotendeels veroorzaakt door de lage promotieaantallen. De afdeling levert vooral onderwijs en dat brengt geen geld in het laatje.’” Dit is slechts een van de citaten uit de notulen van het faculteitsbestuur die het boek van H. Gommer ons geeft in zijn laatste boek: Op de academie.

In het boek, dat Gommer naar aanleiding van zijn ervaring als docent op een universiteit schreef, krijgen we de Universiteit te zien vanuit het perspectief van een nieuwe docent. Hoe langer we de loopbaan van deze docent volgen, des te duidelijker blijkt hoe de slecht geoliede machine die wij slechts vanuit de collegebanken kennen in elkaar steekt. Hoewel enerzijds een verassend beeld wordt geschetst, zijn er ook een aantal aspecten die zeer herkenbaar zijn: docenten met zeer unieke lesmethoden, onduidelijkheid over het verloop van vakken, de hoge eigendunk van sommige hoogleraren etc.

Volgens Gommer dient het boek als fictie te worden gezien. ‘Alarmerende fictie’, dat wel. Een oud-werknemer van de universiteit bevestigde dat eenieder die de universiteit vanbinnen kent het geschetste beeld wel zou beamen. Daarnaast wordt het topje van de ijsberg dat voor studenten zichtbaar is, zeer herkenbaar beschreven en speelt er in het boek een rechtszaak die daadwerkelijk plaatsvond. Het is dan ook goed mogelijk dat het fictieve verhaal in zeer aanzienlijke mate overeenstemt met hetgeen daadwerkelijk is gebeurd. Deze schijn van non-fictie, alsmede de kleine aanwijzingen welke universiteit het betreft, brengen nog een welkome extra dimensie aan het boek.

Door veel gebruik te maken van dialogen, is een aanzienlijk deel van het boek geschreven in eenvoudige spreektaal. Dit in combinatie met de schrijfstijl van Gommer en het spannende verhaal dat wordt beschreven, maakt het boek zeer verslavend. Daarnaast geven de unieke karakters van een aantal personen, het boek een humoristische twist en heb je weinig inlevingsvermogen nodig om met de hoofdpersoon mee te leven.

Voor eenieder die opzoek is naar een leuk boek, dat tevens een belangrijk onderwerp behandelt dat wellicht onderbelicht is gebleven, raad ik dit boek dan ook ten zeerste aan.  

Recht op privacy, een illusie?

Recht op privacy, een illusie?

Technologische ontwikkelingen in het kader van opsporingsbevoegdheden.

Tekst door Nena van der Kammen

´D66 wil dat 2015 het jaar van de privacy wordt,’ ‘Terughackwet wordt begin 2015 ingediend,’[1] ‘Eerste overwinning in privacyzaak tegen Facebook’[2]. De media staat elke dag bol van privacy gerelateerde onderwerpen, kortom een belangrijk onderwerp. Hoe zit het echter met de privacy in verband met opsporingsbevoegdheden ontwikkeld door nieuwe technologie? Men kan wel stellen dat de technologie het recht af en toe inhaalt. Doordat de technologie continu in ontwikkeling is, worden er steeds nieuwe opsporingsbevoegdheden gecreëerd, die niet door de wetgever op specifieke wijze zijn gecodificeerd. Hoe wordt dit opgelost en is die oplossing wel te legitimeren in het kader van onze privacy? 

Privacy is een grondrecht en wordt in de Nederlandse wet gedefinieerd als ‘eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer,’[3] wat simpelweg betekent persoonlijke vrijheid. Door het gebruik van opsporingsbevoegdheden door de politie wordt er een inbreuk gemaakt op de privacy van de burger. Ernstige inbreuken worden gelegitimeerd op grond van specifieke bepalingen in het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), zoals bijvoorbeeld stelselmatige observatie op grond van artikel 126g Sv. Door voortdurende ontwikkelingen in de techniek ontstaan er echter steeds nieuwe opsporingsmethoden, opsporingsmethoden waar de wetgever geen specifieke wettelijke grondslag voor heeft bedacht. Toch is er altijd een wettelijke grondslag nodig op basis van het legaliteitsbeginsel, één van de belangrijkste waarborgen in ons rechtssysteem. Als er geen specifieke wettelijke grondslag is, waar wordt een dergelijke opsporingsmethode dan op gestoeld?

Een goed voorbeeld om de problematiek omtrent de privacy en nieuwe opsporingsbevoegdheden te schetsen is het redelijk recente arrest ‘Stille sms’ van de Hoge Raad.[4]In deze zaak wordt gebruik gemaakt van het versturen van een stille sms, deze stille sms heeft als doel het lokaliseren van bijvoorbeeld een verdachte. Door deze methode te gebruiken wordt een inbreuk gemaakt op de privacy van de gebruiker van de telefoon, aangezien hij of zij zelf niks merkt, maar toch gelokaliseerd kan worden. Er is geen specifieke wettelijke grondslag voor deze opsporingsmethode terug te vinden in de wet. Hoe lost de Hoge Raad dit op? De Hoge Raad verwoordt het als volgt:

‘Voor een niet specifiek in de wet geregelde wijze van opsporing (..) moet worden aangenomen dat de opsporingsambtenaren op grond van art. 3 Politiewet en art. 141 en 142 Sv (…) alleen bevoegd zijn haar in te zetten op een wijze die een beperkte inbreuk maakt op grondrechten van burgers en die niet zeer risicovol is voor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing. In het bijzonder kan de toepassing van deze opsporingsmethode jegens de gebruiker van het telefoontoestel onrechtmatig zijn indien zij in verband met de duur, intensiteit en frequentie ervan geschikt is om een min of meer compleet beeld te verkrijgen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de betrokkene.’[5]

De Hoge Raad stelt dus dat voor een opsporingsmethode zonder specifieke wettelijke grondslag de algemene grondslag artikel 3 Politiewet en de artikelen 141 en 142 Sv voldoende kunnen zijn. Hier zijn criteria aan verbonden aangezien niet zomaar alle nieuwe opsporingsbevoegdheden op een algemene grondslag kunnen worden gestoeld, dit in het kader van de rechtswaarborgen. De Hoge Raad stelt zowel een inbreukcriterium als een integriteitscriterium. Een beperkte inbreuk, wat houdt dit precies in? Er is hiervoor een hulpcriterium in het leven is geroepen waarbij onder andere gekeken wordt naar de duur, intensiteit en frequentie. In de zaak Stille sms werden in totaal ongeveer negentig sms-berichten (!) verstuurd, toch oordeelde de Hoge Raad dat ‘gelet op de duur en frequentie van toezending slechts een beperkt beeld van de bewegingen van de gebruiker van de telefoon werd verkregen.’[6] Men zou in deze context ook best het tegenovergestelde kunnen stellen, namelijk dat de frequentie, het versturen van negentigsms-berichten, zeer hoog ligt met als consequentie dat er juist een grote inbreuk wordt gemaakt op het grondrecht. Het hangt dus af van de concrete feiten en omstandigheden van het geval. In deze zaak werd onder andere meegewogen dat er toestemming was van de officier van justitie en dat er uiteindelijk voldoende duidelijkheid over de inzet van de methode was verkregen.

Het zou ook een optie zijn om deze laatste twee criteria te codificeren in de wet, zodat er harde eisen gesteld worden in plaats van een dergelijke bevoegdheid te stoelen op een algemene taakstelling van een opsporingsambtenaar. Dit zou leiden tot meer waarborgen in ons rechtssysteem.

Een ander gebied dat qua opsporingsbevoegdheden volop in ontwikkeling is, is het DNA-onderzoek. DNA-onderzoek en DNA-wetgeving bestaat natuurlijk al, maar de technologie heeft ook hier al bijna het Wetboek van Strafvordering ingehaald. Er wordt voorspeld dat DNA-sporen met één apparaat op een simpele wijze op de plaats van delict geanalyseerd kunnen worden, de zogenaamde Mobiele DNA-Technieken bij Forensische opsporing. Zo lijkt een match mogelijk al binnen een paar uur gerealiseerd te kunnen worden. Als er gebruik zou worden gemaakt van de mobiele DNA-techniek dan wordt er kort gezegd niet voldaan aan twee waarborgen die duidelijk aan DNA-onderzoek in de wet gesteld zijn. Het wordt door de wet dus niet expliciet toegelaten. Echter bestaat nog altijd de algemene opsporingsbevoegdheid van de opsporingsambtenaren (artikel 3 Politiewet en de artikelen 141 en 142 Sv). Het is dus de vraag of er sprake is van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer bij het gebruik van mobiele DNA-technieken, aangezien het dan kan worden gestoeld op de algemene taakstelling. Dit zou men zo kunnen beredeneren, aangezien de lichamelijke integriteit bijvoorbeeld onaangetast blijft en er van de betrokkene geen lichaamsmateriaal wordt afgenomen. Er wordt alleen onderzocht of er een match kan worden gevonden tussen sporen die aanwezig zijn op de plaats delict en een profiel van iemand in de DNA-databank. Dan zou men kunnen concluderen dat er geen ‘min of meer compleet beeld zou zijn verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de betrokkene’. Als er een match zou worden gevonden is dit alleen een indicatie dat de betrokkene aanwezig kan zijn geweest op de plaats delict. Natuurlijk zou men ook andersom kunnen redeneren door te stellen dat er geen sprake is van een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, maar er juist een min of meer compleet beeld zou worden verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de betrokkene. Dit zal de Hoge Raad altijd beoordelen naar de omstandigheden van het geval. Vervolgens is natuurlijk de vraag wat er gedaan kan worden met de gegevens van de mobiele DNA-techniek. Het DNA-onderzoek is op zichzelf door de wetgever met flink wat waarborgen omgeven, maar de wetgever heeft ook hier weer niet in alle technische ontwikkelingen kunnen voorzien. Voor de bewijsvoering in strafzaken kan alleen maar worden voldaan als het DNA-onderzoek voldoet aan de eisen in het Wetboek van Strafvordering, aangezien de strenge waarborgen niet voor niets door de wetgever zijn aangebracht.[7]Al met al is het ook hier weer zaak dat er voldoende waarborgen zijn. Of die waarborgen in de algemene taakstelling van de opsporingsambtenaren liggen of in aanpassing van de DNA-wetgeving is nog niet met zekerheid te zeggen totdat deze techniek daadwerkelijk in gebruik wordt genomen.

Het is natuurlijk een groot voordeel dat er een algemene wettelijke grondslag is waarop opsporingsambtenaren opsporingshandelingen mogen verrichten. Als dit niet het geval was, zou er, iedere keer wanneer er een nieuwe manier van opsporen wordt ontwikkeld, een nieuwe wet in het leven moeten worden geroepen. Dit zou betekenen dat de technologie het recht telkens een stap voor is. Door middel van artikel 3 Politiewet en de artikelen 141 en 142 Sv is een effectieve rechtshandhaving mogelijk. De andere kant van de medaille is natuurlijk dat doordat er geen specifieke wettelijke regeling is, er onduidelijkheid kan ontstaan over wat nu wel en niet is toegelaten. Dit leidt steeds weer tot een discussie over de rechtmatigheid van een bepaalde opsporingsbevoegdheid. Een duidelijk voorbeeld dat M.J. Borgers noemt in het artikel ‘Normering van ‘lichte’ opsporingshandelingen’ in Delikt en Delinkwent is de observatie van personen.[8] Waar ligt precies de grens tussen stelselmatige observatie op grond van artikel 126g Sv en ‘lichte’ observaties op grond van artikel 3 Politiewet en de artikelen 141 en 142 Sv? Dit wordt steeds weer beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval. Aan de ene kant heb je dus de noodzaak tot effectieve rechtshandhaving in het kader van de rechtsbescherming, maar aan de andere kant leidt dit misschien wel tot rechtsonzekerheid bij de burger.

Het recht op privacy is natuurlijk niet alleen in nationale wetgeving gecodificeerd, maar onder andere in artikel8 EVRM. Een illustratief voorbeeld van de lijn die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (verder: Hof) volgt is het arrest Uzun tegen Duitsland.[9] Het Hof spreekt zich hier voor het eerst uit over GPS-toezicht. Door de ogen van het Hof worden steeds meer soorten technologie gekwalificeerd en bekeken onder artikel 8 EVRM. Privélevenis volgens het Hof een brede term, waar geen specifieke definitie aan te geven valt. Het privéleven kan volgens het Hof in geding komen als een sprake is van een systematisch of permanent karakter van de gegevensopslag. Daarnaast zijn er natuurlijk nog de beperkingsgronden van artikel 8 lid 2 EVRM: ‘(…) bij de wet voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.’ Met als afsluiting een proportionaliteits- en subsidiariteitstoets. De criteria van het Europees Hof en de Hoge Raad lijken dus met elkaar in overeenstemming te zijn.

[1] ‘Terughackwet’ wordt begin 2015 ingediend, 19 oktober 2014, nu.nl (zoek op terughackwet).
[2] Eerste overwinning in privacyzaak tegen Facebook, NOS 23 september 2015, nos.nl (zoek op privacyzaak Facebook).
[3] Artikel 10 Grondwet.
[4] HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1563.
[5]  HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1563.
[6] HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1563.
[7] Mapes; Noordam, ‘Mobiele DNA-technieken bij de forensische opsporing: het juridsich kader’ EeR 2015 3 Zutphen: Uitgeverij Paris 2015.
[8]M.J. Borgers, 'Delikt en Delinkwent, Normering van ‘lichte’ opsporingshandelingen', DD 2015 15 Alphen aan den Rijn: Kluwer 2015.
[9]EHRM 2 septmeber 2010, EHRC 2010, 35623/05(Uzun t. Duitsland).

Nena (21) is bachelorstudente Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit Utrecht. Naast haar studie schrijft ze met veel plezier voor De Juncto en werkt ze als vrijwilliger bij de Sociaal Juridsiche Dienst in Utrecht.

Het gevaar dat Facebook heet

Technologische ontwikkelingen in het kader van opsporingsbevoegdheden. 

Tekst door Marloes Horstman 

De groei van de technologie brengt veel positieve ontwikkelingen met zich mee, maar lijkt ook zo zijn nadelen te hebben. Eén zo’n verschijnsel dat zowel een positieve als een negatieve kant heeft, is het social medium Facebook. Zo’n negen miljoen Nederlanders hebben een account op dit sociale medium. Dat zijn negen miljoen mensen die contact kunnen opnemen met oude schoolvrienden, collega’s of familieleden, maar ook negen miljoen mensen die gegevens prijsgeven door het gebruik van Facebook. Er rijzen hierbij enkele vragen omtrent het gebied van privacy, met name over het gebruik en de opslag van persoonlijke gegevens die men prijsgeeft door het gebruik van Facebook. 

Doelgericht adverteren
In het gegevensbeleid van Facebook – dat op de website zelf te vinden is – staat vermeld dat de gegevens aan derden verstrekt kunnen worden. Vervolgens wordt er opgesomd wie deze derden kunnen zijn en om welke gegevens dit precies gaat. Vaak gaat het om bedrijven die willen profiteren van doelgericht adverteren. 

Een bij uitstek actueel voorbeeld van het doelgericht adverteren, is terug te vinden in het vluchtelingenbeleid van België. Het social medium gaat door de regering van België gebruikt worden om een signaal uit te zenden naar de vluchtelingen dat men niet moet rekenen op een permanente verblijfsvergunning. Er zullen gesponsorde berichten verschijnen op de tijdlijnen van mannen van Irakese afkomst tussen de 25 en 45 jaar. In deze banners zal de boodschap staan dat een permanent verblijf zeer waarschijnlijk geen optie is. Op deze manier wil de Belgische staatssecretaris Theo Francken vluchtelingen proberen te weren via Facebook. [1] 

Deze leeftijdsgroep kan bereikt worden doordat Facebook toegang heeft tot een legio aan persoonlijke gegevens. Bij het aanmaken van een account dienen deze gegevens immers ingevoerd te worden. Wanneer men een advertentie koopt op Facebook, kunnen specifieke personen bereikt worden die voldoen aan de criteria, zoals woonplaats, leeftijd of interesses. Deze optie bestaat om de advertentie zo effectief en doeltreffend mogelijk te laten functioneren. Als het de specifieke persoon interesseert, is hij of zij eerder geneigd om op de advertentie te klikken en door te lezen, en zal deze persoon minder geïrriteerd zijn dat dit bericht op zijn of haar tijdlijn verschijnt.[2] Dit kan juridisch gezien door de beugel omdat Facebook geen persoonlijke gegevens aan de bedrijven zelf verschaft.

Verwijderde gegevens

Het blijft een feit dat Facebook data verzamelt van haar gebruikers. De opslag van deze gegevens is niet louter negatief en kan soms zelfs nuttig zijn, mits de gegevens daadwerkelijk verstrekt worden. Dit bleek bijvoorbeeld in een rechtszaak die tegen Facebook werd aangespannen door de Nederlandse Chantal.[3] Zij was het slachtoffer geworden van ‘wraakporno’. Een anoniem persoon had een account aangemaakt op Facebook onder de naam en woonplaats van Chantal, en plaatste vervolgens een filmpje van het meisje waarop te zien was hoe zij haar ex oraal bevredigde. Na verloop van tijd werd het account verwijderd. Om de identiteit van de dader te kunnen achterhalen, waren de gegevens nodig van degene die het account had aangemaakt. Facebook weigerde echter deze gegevens te verstrekken, omdat naar eigen zeggen de gegevens definitief verwijderd zouden zijn na het verwijderen van het account. In de rechtszaak die vervolgens werd aangespannen, werd Facebook veroordeeld tot het verstrekken van de gegevens. Waren de data daadwerkelijk niet meer aanwezig, dan zou Facebook onderzoek moeten instellen naar de herkomst van de gegevens. Er zal binnenkort een tweede kort geding plaatsvinden om te bepalen wie de deskundige wordt die onderzoek zal gaan doen bij Facebook.

Opslag data

Een andere kwestie die momenteel een veelbesproken onderwerp is, is de opslag van de gegevens van Facebook. Onlangs heeft het Europese Hof van Justitie een baanbrekende uitspraak gedaan die het beleid van gegevensopslag grotendeels zal veranderen. 

In eerste instantie was het door de Europese privacywetgeving al niet toegestaan om privégegevens die verzameld worden binnen de Europese Unie op te slaan buiten de Europese Unie.[4] Zodra er in het niet-Europese land eenzelfde niveau van gegevensbeveiliging heerste, werd de opslag van gegevens buiten Europa wel toegestaan.Dit niveau is in de Verenigde Staten niet vastgelegd, maar wel is het Safe Harbor-verdrag destijds leven ingeblazen. Dit verdrag biedt enkele richtlijnen voor hoe er met privacygevoelige informatie moet worden omgegaan. [5] Voor Facebook hield dit in dat er wel gegevens konden worden opgeslagen in de Verenigde Staten, omdat het bedrijf zich aan de Safe Harbor-principes hield en zich hiervoor had laten registreren. 

De meest recente uitspraak hierover van het Europese Hof van Justitie steekt een stokje voor deze gegevensopslag in de Verenigde Staten. Het Hof zette dan ook een streep door het Safe Harbor-verdrag. [6] Dit verdrag bond namelijk wel de bedrijven die zich hadden aangesloten, maar niet de overheid van de Verenigde Staten. De overheid kon door middel van bijvoorbeeld de NSA de gegevens eigen maken. Hierdoor kan er een niet hoog genoeg beschermingsniveau van persoonlijke gegevens geboden worden door de Verenigde Staten. Persoonlijke gegevens kunnen immers rustig ingekeken worden door de Amerikaanse overheidsdiensten, er worden dus niet genoeg waarborgen voor bescherming geboden. Daarbij had het volgens het Hof al voor deze uitspraak mogelijk moeten zijn voor nationale toezichthouders om te voorkomen dat er gegevens naar servers in de Verenigde Staten gestuurd zouden worden. 

Al met al valt te concluderen dat Facebook een dienst is waaraan toch wat haken en ogen zitten. Een gebruiker zal in eerste instantie niets merken van de effecten die het gebruik van Facebook met zich meebrengt. Toch gebeurt er achter de schermen genoeg. Facebook gebruikt de persoonlijke gegevens van de gebruikers om doelgericht te adverteren. Woonplaats, leeftijd en interesses spelen hierbij een grote rol. Zo kan ook België via Facebook bij de juiste doelgroep adverteren om te voorkomen dat er nog meer vluchtelingen het land proberen in te trekken. Het gebruiken van gegevens hoeft niet meteen nadelig te zijn, maar kan ook in het voordeel van de gebruiker zijn, wanneer er bijvoorbeeld advertenties tevoorschijn komen in de tijdlijn die interessant zijn voor de beheerder van het account.

Het verzamelen van gegevens is dus niet alleen maar nadelig. In sommige rechtszaken kunnen de data immers gebruikt worden om de identiteit van een anonieme hater te achterhalen. Heeft Facebook deze gegevens niet meer doordat het account is verwijderd, dan geldt er wel een inspanningsplicht om onderzoek naar deze gegevens te doen.

Verder zal het beleid omtrent de gegevensopslag van Facebook veranderd moeten worden. Dit is in het voordeel van de privacy; de overheid van de Verenigde Staten kan immers niet meer de persoonlijke gegevens inkijken. Dit biedt meer waarborgen voor een hoger beschermingsniveau van dergelijke privégegevens.

Men is zich er wellicht niet van bewust, maar een waarschuwing is dus wel op zijn plaats. Heb kennis van wat zich achter de schermen afspeelt!

 

[1] B. Brasser, ‘België gaat vluchtelingen via Facebook ‘afschrikken’’, Metro 28 september 2015.
[2] R. Leistra, ‘Facebook gaat een stap verder met gerichte advertenties’, Elsevier 16 oktober 2013.
[3] Rb Amsterdam 25 juni 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:3984.
[4] Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens.
[5] R. Reincke, ‘Opslaan is data laten gaan? De juridische kant van cloud computing’, Pictogram 2011/2012, afl. 5, p. 4.
[6] HvJ EU 6 oktober 2015, ECLI:EU:C:2015:650.

Marloes (21) is bachelorstudente Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit Utrecht.

Daarnaast is zij eindredactrice van een tech website voor vrouwen en schrijft zij voor De Juncto. Vooral de combinatie van technologie en recht wekt haar interesse.

Partners